Het NFI ligt onder vuur

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ligt al geruime tijd onder vuur en dan niet het NFI zelf of zijn medewerkers maar ‘de leiding’ van de organisatie.

Het NFI ligt onder vuur

“Opsporing verdachten in gevaar door puinhoop NFI” kopt de Volkskrant 26 april j.l.
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ligt al geruime tijd onder vuur en dan niet het NFI zelf of zijn medewerkers maar ‘de leiding’ van de organisatie.
In het vuur van de bezuinigingen van het kabinet zijn de directeur en de medezeggenschap het in de afgelopen maanden in toenemende mate met elkaar oneens geworden over de tenuitvoerlegging van de bezuinigingen.

Dit krijgt geleidelijk aan de allure van een vete waarbij loopgraven worden betrokken en het gelijk per se aan één van de betrokken partijen toebehoort.
Het zou het NFI – wereldwijd een van de meest vooraanstaande Forensische Instituten – sieren als het kans zag deze dreigende vete te slechten en daarna de bezuinigingen te tackelen door te kiezen voor een Europees perspectief; inzetten op een uniform Europees systeem van forensisch onderzoek.
Het NFI heeft de kwaliteit in huis om daarin het voortouw te nemen. Kiemen hiervoor zijn al aanwezig. Het NFI is prominent binnen de ENFSI, veelvuldig wordt bijstand gegeven aan en worden contacten gelegd met collega-instituten. Er wordt samen met anderen hard gewerkt aan uniformiteit van de accreditatie.

De volgende stap moet mijns inziens zijn dat gewerkt wordt aan optimalisatie op Europees niveau van de inzet van de diverse zogenaamde deskundigheidsgebieden. Niet elke deskundigheid heeft een even grote caseload en zelden is een deskundigheidsgebied op nationaal niveau voldoende optimaal georganiseerd om wetenschappelijk innovatief te kunnen zijn en blijven. Een goede verdeling van de deskundigheidsgebieden over Europa, er zijn al een aantal erkende nationale en regionale strongpoints, kan wetenschappelijk en economisch, op termijn, veel winst opleveren.
Wel zullen ‘we’ een aantal nationale stokpaardjes moeten willen inruilen voor, Europese, volbloeds en/of werkpaarden.

Er zijn dan uiteraard nog de nodige drempels te slechten in Europa als byzantijnse gemeenschap, met diens pluriforme nationalisme dat hecht aan het eigen (lees beste) juridische systeem etc. etc.
Maar in mijn ogen is Europese optimalisatie uiteindelijk de enige weg die leidt naar blijvend voldoende forensisch wetenschappelijk volume, en alleen dan, kunnen ‘kleine’ maar waardevolle deskundigheidgebieden, te klein om op nationaal niveau efficiënt te kunnen opereren, hun waardevolle bijdrage binnen het forensische wetenschappelijke blijven leveren.

Het overlaten van de niet winstgevende forensische gebieden aan ‘de markt’ brengt, waar het de veiligheid direct beïnvloedt, zeer grote risico’s met zich mee. De, in hetzelfde artikel van de Volkskrant aangehaalde, teloorgang van het Britse FFS is daarbij exemplarisch.
Het NFI heeft de kwaliteit om bij het initiëren van een werkend Europees systeem van Forensische expertise in de frontlijn een hoofdrol te spelen. Een dergelijk ingrijpende transitie kan niet zonder politieke steun. Het zou de directie van het NFI sieren als zij, met verkiezingen in het vooruitzicht, kans zou zien deze politieke steun te verwerven.